Editoriaal

Sterven en begraven in onze gewesten – een culturele reis doorheen de tijd

Lezing door Patrick De Greef – 24 mei om 19u30

Waarom begroeven onze voorouders hun doden in en rond de kerk? Waarom was Christus tegen een crematie? Welke oplossing vond de Kerk toen bleek dat de dag van algemene wederopstanding – het zgn. ‘Laatste Oordeel’ – maar niet kwam? Waarom moeten we aan de gemeente de toelating vragen om iemand op het kerkhof te mogen begraven en niet aan de kerkfabriek? Vanwaar komt het idee van de ‘eeuwige vergunning’? Waarom …? 

Sterven en begraven is één van de meest bepalende, culturele tradities. De wijze waarop wij onze naasten begraven en willen gedenken, hangt onverbrekelijk samen het met het christelijke geloof. Bijgevolg vangt onze reis aan bij de Romeinen die van Christus een held en een verzetsleider hebben gemaakt door hem aan het kruis te nagelen. Zijn volgelingen hebben zijn ideeëngoed uitgedragen over gans Europa. Door de hongersnoden, de vele oorlogen en de epidemische ziekten gaat men zich in de late middeleeuwen in toenemende mate bekommeren om het leven na de dood. Voor wie voldoende geld heeft is er geen probleem. Met de barok komt de nadruk te liggen op hoe men wil herdacht worden en hoe men zich zichtbaar kan uiten als een verdediger van de contrareformatie. 

Met Jozef II begint de Staat zich steeds meer met de wijze van begraven te bemoeien. Gedurende tachtig jaar (1784-1864) gaat de clerus een verbeten strijd aan met de burgerlijke overheid over het beheer van de kerkhoven. Uiteindelijk verliest de Kerk deze machtsstrijd door een arrest van het Hof van Cassatie in 1864. 

Na de Tweede Wereldoorlog verliest de kerk ook haar greep op de stervensbegeleiding. De rol van de zwartzusters wordt overgenomen door palliatieve instellingen en de pastoor met de ratel verdwijnt uit het straatbeeld, een episode die de meesten zich nog kunnen herinneren. (Afbeelding: ‘Dance Macabre’ uit Kroniek van Neurenberg 1493.)