Editoriaal

In de 17e eeuw waren de ultieme sociale ambities van de gegoede burgerij gericht op de adellijke status en levensstijl. De drang daartoe was dusdanig dat de aartshertogen plakkaten moesten uitvaardigen tegen de talrijke misbruiken door de ‘pseudo-adel’, zoals het dragen van een degen door niet-adellijken, of de vervalsing van afstamming door het omkopen van notarissen. De adellijke status zorgde niet enkel voor veel prestige, maar ook voor privileges zoals lagere rechtspraak, het houden van een duiventoren en het heffen van belastingen en vooral de vrijstelling ervan (bijvoorbeeld van de belangrijke taksen op bier). Voorwaarde voor de zeer gegeerde adellijke titel was de toekenning van een ‘lettre de patente’ door de soeverein. En voor wie niet van adel was door afstamming, ging dat voorrecht op zijn beurt samen met het kunnen voorzien in zijn levensonderhoud zonder handenarbeid, terwijl de adellijke status van een ‘heer’ ook bleek uit het bezit van een heerlijkheid.

Rubens verwezenlijkte dit teken van stand door de verwerving van ’t Steen te Elewijt in 1635 en Teniers imiteerde hem in 1663 met de verwerving van de Drij Torens in Perk. In de lezing gaat de spreker in op de specifieke adellijke ambities van beide schilders en op de invloed van het verwerven van deze herenverblijven op hun leven en kunst.

Dr. MBA Joost vander Auwera, gediplomeerd aan de Ugent, is Ere-conservator Oude Kunst van de Koninklijke Musea voor Schone Kunsten te Brussel, bestuurslid van het Rubenianum te Antwerpen en van de Koninklijke Academie voor Oudheidkunde en Kunstgeschiedenis van België. Daarnaast is hij docent Museumkunde en Kunstenbeleid aan de UGent. Hij heeft meer dan 80 publicaties op zijn naam staan en na zijn pensionering heeft hij zijn eigen expertisebureau oude kunst gesticht.